In veel 55+ dossiers ligt de focus op pensioen, schenken en woonwensen voor later. De hypotheek loopt vaak geruisloos door. De maandlast is bekend, de rente staat vast en er is geen directe aanleiding om iets te wijzigen.
Toch schuift er onder die stabiliteit een belangrijk moment dichterbij, namelijk de HRA-knip: het einde van de hypotheekrenteaftrek voor leningdelen die rond of vóór 2001 zijn gestart
Vanaf 2031 bereikt de eerste grote groep huishoudens de dertigjaarsgrens van renteaftrek. Voor hen vervalt het fiscale voordeel definitief. Dat op zichzelf is al ingrijpend. Maar in de praktijk raakt dit moment juist 55+ klanten extra hard, omdat het vaak samenvalt met pensionering.
De dubbele beweging: minder aftrek, lager inkomen
De hypotheekrenteaftrek kent sinds 2001 een maximale duur van dertig jaar. Voor leningdelen die rond of vóór 2001 zijn gestart, betekent dit dat de aftrekbaarheid vanaf 2031 kan wegvallen. De bruto maandlast wordt dan netto.
Voor een klant met een substantieel aflossingsvrij deel kan dit honderden euro’s per maand schelen. Maar daar stopt het niet. Na de AOW-leeftijd daalt het belastingtarief in box 1. Daardoor wordt ook de resterende renteaftrek minder waard. Zelfs wanneer de dertigjaarstermijn nog niet volledig is verstreken, neemt het fiscale voordeel af zodra het pensioeninkomen leidend wordt. Het vervallen van de aftrek én een lager belastingtarief, kan zorgen voor een onverwachte stijging van de netto woonlast in een fase waarin het inkomen juist daalt.
Waarom dit gesprek vóór de AOW-leeftijd gevoerd moet worden
De HRA-knip is op zichzelf een fiscale wijziging. Maar zodra een klant zijn hypotheek wil aanpassen om de impact daarvan te beperken, speelt er nog iets anders: de pensioentoetsing.
Geldverstrekkers kijken vanaf ongeveer tien jaar vóór de AOW-leeftijd bij een wijziging niet alleen naar het huidige inkomen, maar ook naar het verwachte pensioeninkomen. Dat betekent dat de ruimte om de lening anders te structureren kleiner wordt naarmate de pensioendatum dichterbij komt.
Wanneer een 60-jarige klant pas op dat moment kiest voor een wijziging in de hypotheek vanwege het einde van de renteaftrek, wordt die wijziging getoetst op het lagere pensioeninkomen. Daarmee kan de oplossingsruimte beperkter zijn dan wanneer dezelfde aanpassing enkele jaren eerder was gedaan.
Wat betekent dit concreet voor je 55+ portefeuille?
In je portefeuille gaat het met name om klanten die:
• vóór 2001 een hypotheek zijn gestart of verhoogd
• een substantieel aflossingsvrij deel hebben
• richting pensioen gaan in de komende tien jaar
Bij hen komen drie ontwikkelingen tegelijk samen: het vervallen van renteaftrek op oudere leningdelen, een lager inkomen na AOW en beperktere mogelijkheden om de hypotheek te wijzigen omdat dan wordt getoetst op pensioeninkomen. Dat maakt de periode vóór pensioen bepalend.
Zolang het arbeidsinkomen nog leidend is, kan een klant eenvoudiger aanpassen. Denk aan het verlengen van de rentevaste periode tot na de pensioendatum, het gericht aflossen op oudere aflossingsvrije delen om de netto stijging te dempen, of waar passend, het deels omzetten naar annuïtair zolang de leencapaciteit dat toelaat. In dossiers met veel overwaarde kan het verstandig zijn om tijdig na te denken over toekomstige verzilveropties, in plaats van dat pas te doen wanneer het pensioeninkomen al leidend is.
Dit is geen onderwerp voor 2031
Voor veel 55+ klanten begint de impact al ruim daarvoor. Niet omdat er direct actie nodig is, maar omdat de ruimte om te sturen vóór pensioen meestal groter is dan erna. Zodra het inkomen verschuift naar AOW en pensioen, worden herstructureringen lastiger en wordt elke aanpassing opnieuw beoordeeld binnen lagere inkomensgrenzen.
Wie deze dossiers tijdig tegen het licht houdt, voorkomt dat klanten pas geconfronteerd worden met hogere netto woonlasten op het moment dat de flexibiliteit al is afgenomen.
En juist in dat verschil tussen kunnen sturen en moeten reageren, zit de waarde van goed advies.